In 1667 waren er al 178 plantages op de Engelse kaart te vinden.1 Deze plantages lagen vrijwel allemaal langs de rivieren in het noordoosten van Suriname. Ongeveer een eeuw later, in 1785, telde Suriname maar liefst 591 plantages. Het grootste deel daarvan werd gebruikt voor landbouwproductie ten behoeve van de export naar de Republiek. De overige 139 plantages waren gericht voor eigen productie, met name om de bevolking in Paramaribo te kunnen voorzien van voedsel.
Deze groei laat zien dat het Surinaamse plantagesyteem in de zeventiende en achttiende eeuw functioneerde als een belangrijk economisch instrument binnen het koloniale netwerk van de Republiek. De ligging langs de rivieren maakte grootschalige productie en transport mogelijk, wat de exportgerichte landbouw versterkte. Tegelijkertijd zorgde deze sterke focus op exportgewassen voor een eenzijdige economische structuur. Suriname werd in toenemende mate afhankelijk van internationale markten en van kapitaal uit de Republiek, terwijl de lokale economie slechts beperkt werd ontwikkeld. Daarmee legde het plantagesysteem niet alleen de basis voor economie, maar ook voor structurele kwetsbaarheid op lange termijn.

De pijnlijke bloei
De rijkdom die uit Suriname voortkwam, kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Zij was het directe resultaat van intensieve arbeid op de plantages — en laten we vooropstellen dat dit vuile werk zeker niet gedaan werd door Europeanen met hun blote handen. Hiervoor had de West-Indische Compagnie (WIC), opgericht in 1621, goedkope arbeidskrachten nodig, beter gezegd: gedwongen arbeid. Binnen dit systeem ontstond de zogenoemde driehoekshandel, ook wel bekend als de Trans-Atlantische driehoekshandel. Niet alleen de Republiek nam hieraan deel: ook Engeland, Frankrijk, Denemarken en Zweden in de late zeventiende eeuw betrokken, terwijl Portugal en Spanje al vanaf de late zestiende eeuw een centrale rol speelden.2

In 1674 ging de WIC failliet. Een jaar later volgde een doorstart, waarmee de zogeheten tweede WIC werd opgericht. Pas vanaf dat moment verschoof de focus daadwerkelijk richting de grootschalige slavenhandel. In de eerste fase van haar bestaan was de WIC namelijk vooral gericht op kaapvaart en militaire acties tegen Spaanse en Portugese belangen, waarbij winst werd behaald door het buitmaken van schepen en goederen. Slavernij speelde toen nog een ondergeschikte rol, maar werd na 1675 een structureel onderdeel van het economische verdienmodel.
Gedwongen arbeid vormde de ruggengraat van het Surinaamse plantagesysteem.3 Door de inzet van tot slaaf gemaakte mensen, konden plantages grootschalig en continu produceren, tegen lage kosten met hoge opbrengsten. Suiker, koffie en later ook katoen werden in grote getale verbouwd en vrijwel volledig gericht op de export. Hierdoor functioneerden plantages niet als lokale landbouwbedrijven, maar als winst gerichte ondernemingen die onderdeel waren van een internationaal economisch netwerk. Het plantagesysteem werd bovendien versterkt door de nauwe verwevenheid met handel, scheepvaart en financiering in de Republiek. Nederlandse kooplieden, investeerders en rederijen profiteerden niet alleen van de verkoop van koloniale producten, maar ook van het vervoer, de verzekering en de voorfinanciering ervan. Zo vloeide de rijkdom die op de plantages werd geproduceerd grotendeels terug naar Europa, terwijl Suriname zelf economisch afhankelijk bleef van deze exportstructuur. Juist deze combinatie van grootschalige productie, goedkope arbeid en internationale afzetmarkten verklaart waarom het plantagesysteem in korte tijd zo winstgevend werd.
Rangen van dienst
In de achttiende eeuw stonden Surinaamse plantages simpelweg niet onder direct toezicht van een eigenaar die daar zelf permanent woonde. De eigenaar was vaak afwezig en woonde in Paramaribo of zelfs in Nederland — vooral naarmate de plantages steeds meer onderdeel werden van internationale investeringsnetwerken. De dagelijkse leiding op de plantage lag bij een directeur of administrateur, die de productie en het toezicht over de slaven organiseerde names de eigenaar.4 Onder deze directeur bevonden zicht meestal één of twee blankofficieren, blanke Europese mannen die direct toezicht hielden op het werk en discipline handhaafden tussen bevelhebbers en slaven.
Binnen de tot slaafgemaakte bevolking bestonden verschillende rollen en gradaties. De grootste groep bestond uit veldslaven, zij deden het zware werk op de plantages. Dit werk bestond uit arbeid op de velden met suiker, koffie en katoen. De slaven die op de velden van de koffie- en katoenvelden werkten, hadden daarbij het relatief meest ‘fijne’ werk. De suikerteelt behoorde tot de zwaarste taken, waarbij na het oogsten direct gehandeld moest worden. Als het suikerriet niet direct behandeld werd, kon het al binnen korte tijd beginnen te fermenteren. Daarnaast konden sommige slaven ‘status’ en vaardigheden verwerven als ambachtsslaven, die gespecialiseerde taken verrichtten zoals timmer-, metsel- of smederijwerk; deze mannen hadden relatief meer bewegingsvrijheid dan de veldslaven. De huisslaven werkten binnen het planters- of directeurshuis, verzorgden huishoudelijke taken en stonden vaak in een gunstigere positie dan een veld- of ambachtsslaaf.

Deze hiërarchie liet duidelijk zien dat plantageproductie niet alleen draaide om harde arbeid, maar ook om een georganiseerd systeem van sociale rollen. Het ging om arbeidsdeling, disciplinaire structuren, waarin (afwezige) eigenaren, lokale directeuren, blankofficieren en verschillende slaven ieder een eigen plaats hadden in het draaiende houden van de plantage in Suriname.
Geraadpleegde bronnen
- E. Bakker, Geschiedenis van Suriname, boek. ↩︎
- Historiek, “Trans-Atlantische driehoekshandel”.
↩︎ - A. de Jong, T. Kooijmans en P. Koudijs, “Plantation Mortgage-Backed Securities: Evidence from Surinam in the Eighteenth Century”. ↩︎
- A. J. Fatah-Black, “Suriname and the Atlantic World”, 1650-1800. ↩︎